Met een betere afbakening van illiquide vermogen kan box 3 door
Al jaren is de belasting op spaargeld en beleggingen onderwerp van fel debat. In het belangrijkste instrument daarvoor, box 3 van de inkomstenbelasting, maakt de staat een aanname (‘forfait’) over het behaalde rendement en belast hij op basis daarvan. In 2021 achtte de Hoge Raad de grote verschillen tussen de werkelijke en de door de staat aangenomen rendementen in strijd met het discriminatieverbod (artikel 14) en het eigendomsrecht (artikel 1) uit het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. De staat paste daarop het stelsel aan om de aannames beter bij de werkelijkheid aan te laten sluiten, maar ook dat kon niet op goedkeuring van de Hoge Raad rekenen.
Na een lange zoektocht over hoe het stelsel er dan uit zou moeten zien, stelde het Ministerie van Financiën voor om het werkelijke rendement te gaan belasten – een oplossing die de Belastingdienst eerder ‘structureel problematisch’ in uitvoering en handhaving noemde (MinFin, 2019). Die oplossing werd recent door de Tweede Kamer aangenomen (MinFin, 2025) en in de nasleep van de stemming in de Tweede Kamer ontstond flinke onrust onder vermogenden. Die onrust kreeg zelfs een internationale en een koninklijke dimensie, met tweets van Elon Musk (Algemeen Dagblad, 2026), een opinieartikel in The Washington Post (2026) en staatsrechtelijke vragen over de ruimte die Prins Constantijn in het debat neemt (Trouw, 2026b).
[....]